Reisverhaal trektocht Rwenzori
| vorige pagina | 2 | volgende pagina |
Dragers
Onze bagage wordt gewogen. Behalve ieder een grote rugzak hebben we ook een doos met ons proviand. Én dus de doos met de 12 flessen mineraalwater. Aan de hand van het totaalgewicht wordt bepaald hoeveel dragers er meegaan. De tocht wordt namelijk al zwaar genoeg, hebben we wel begrepen uit de info die we vooraf hebben ingewonnen, dus dragen wijzelf slechts ons dagrugzakje met regenjas en wat eten en drinken voor onderweg. We moeten, eenmaal in het park, geheel zelfvoorzienend zijn, en wordt er dus een kleine expeditie op touw gezet. Later komen we er achter dat er maar liefst 7 dragers zullen meelopen, waarvan 2 knullen alleen al een enorme zak met houtskool op hun rug hebben. In het kader van natuurbescherming mogen er geen bomen gekapt worden en moet al de brandstof voor het kookvuur ‘zelf’ de bergen in genomen worden. Behalve de dragers gaan twee UWA-gidsen mee. We worden aan hen voorgesteld en gaan dan eindelijk echt op pad, de mountains of the moon in.
De bergen van de maan
Waarom deze bergen “van de maan” worden genoemd is ons onduidelijk. De eerste etappe heeft in ieder geval niets weg van een kaal maanlandschap. In tegendeel. We komen een groep ‘slashers’ tegen: mannen en jongens die in dienst van de UWA met hakmessen het pad open houden. We passeren ze en zeggen netjes ‘How are you? Fine!’ tegen iedereen. Verderop, waar ze nog niet bezig zijn geweest zien we waarom hun werk niet overbodig is. Het pad is hier bijna dichtgegroeid en al bukkend en takken ontwijkend werken we onszelf door de struiken en varens, tot waar het pad van nature wat minder dicht begroeid is. Maar overal is het groen. Zo ook in de ‘olifantenzone’, waar we inderdaad sporen van de bosolifant zien: uitwerpselen en vertrapte struiken. Olifanten zelf krijg je als trekker echter zelden te zien, zegt Gideon, onze gids. Geeft niet, want het feit dat hier vanochtend een olifant vanuit de struiken opdook en hetzelfde pad bewandelde als wij nu, is al spannend genoeg.
We volgen de machtige Mubuku-rivier. Via een houten bruggetje steken we een zijriviertje over waar een open plek een mooie lunchplaats vormt. Na de lunch begint het steile gedeelte. En inderdaad, stéil is het.
Maar misschien is het doordat we de Muhavura al in de benen hebben, het valt erg mee. Sterker nog, opeens wijst Gideon de gids ons een enorme overhangende rots, die vroeger als slaapplaats door de dragers werd gebruikt, en blijkt erachter al de Nyabitaba-hut te zijn. Onze eerste overnachtingsplaats. We hebben 4,5 uur gelopen. Zelfs de gidsen verbazen zich over onze snelheid, want de dragers, die zich nog aan het organiseren waren toen wij alvast vertrokken, halen de trekkers doorgaans halverwege in. Nu zijn ze nog in geen velden of wegen te bekennen. En dat is jammer, want ook al zijn we drijfnat van het zweet, we moeten dus nog even wachten op droge kleren. We gebruiken de tijd om alvast de hut te verkennen. Dat is zo gebeurd, want erg groot is de hut niet. Twee kleine kamertjes met een kleine veranda ervoor. Hout en golfplaten, simpel maar doeltreffend.
Geen kant op
Doordat we vroeg zijn gearriveerd bij de hut, hebben we ’s middags nog voldoende tijd over om wat te relaxen, vóór het donker wordt. We zitten op een bergrug, en behalve het pad waar we vandaan kwamen en het andere pad, waar we morgen over zullen vertrekken, is er niets dan bos en steile berghelling, en kunnen we dus geen kant op. Hoeft ook niet, want vanaf de veranda voor onze hut kan ik uren kijken naar de bergen tegenover ons. Het zijn de Portal Peaks, zo genoemd omdat je ze vanuit het stadje Fort Portal kunt zien. Het uitzicht verandert voortdurend. De wolken spelen met de grillig gevormde bergpieken van het massief: soms zijn de Peaks geheel of gedeeltelijk in de mist gehuld, en dan weer blaast de wind alles even open en staat daar opeens die overweldigende rotsmassa, stralend in de zon, onderaan op haar flanken bebost en naar boven toe helemaal kaal wordend. In mijn gids lees ik dat de pieken niet beklommen zijn: dat kan ik me voorstellen, zo steil zijn de pieken.
Zeldzaam
Een groep vogels verstoort de rust en vraagt mijn aandacht. Ik volg een tijdje de buitelingen en het heen en weer gewip van een twintigtal vogels. Ik identificeer ze als Rwenzori-toerako’s. Prachtige, forse vogels. Een beetje duifachtig, maar dan groter.
En erg kleurrijk, met hun groen-blauw-rode verenkleed! Ze schijnen zeldzaam te zijn, al wekken ze niet die indruk, want gedurende onze trektocht zullen we ze nog vaker zien.
| vorige pagina | 2 | volgende pagina |
