Groepsreis Uganda januari 2005
| vorige pagina | 3 | volgende pagina |
Dinsdag 25 januari
Redelijk goed geslapen. Onmiddellijk bij het ontwaken voelt George op zijn rug iets wat een muggenbeet zou kunnen zijn. Ik kijk even en tel dan – niet te geloven – maar liefst twintig grote bulten. Dat moet na het douchen gelijk ingesmeerd worden. Die hebben dus onder het muskietennet gezeten, maar blijkbaar maken deze muggen geen geluid net zoals bij ons.
Als George de deur van de “badkamer” opent, hoor ik een verschrikte uitroep en begint hij meteen met de bus insecticide in het rond te spuiten. Omdat ik mijn bril nog niet opgezet heb, zie ik niet wat er aan de hand is. Later blijkt dat de WC, pot, bril, deksel en stortbak, zwart zien van de mieren, evenals de wasbak en de douchebak. Gelukkig ben ik daar in de nacht zonder mijn bril op niet geweest, anders was ik er zo op gaan zitten. Dat wordt een provisorische wasbeurt, douchen slaan we maar even over. Tja, dat soort dingen kun je in Afrika tegenkomen. De Engelse eigenaresse van het hotel zegt ook dat ze er alles aan doet om dit te voorkomen, maar dat het gewoon niet te doen is.
Na het ontbijt beginnen we aan een lange rit die ongeveer 9 uren zal duren. Einddoel: Kibale Forest, waar we op zoek zullen gaan naar de chimpansees. Het is een mooie rit, onderweg stoppen we af en toe om wat kleding en pennen uit te delen. We zien mensen aan het werk in de thee- en katoenplantages. Op een gegeven moment roept Geresem naar David dat hij moet stoppen en even terugrijden; hij heeft nl. langs de weg in een soort sloot iets gezien wat op een illegale jeneverstokerij lijkt. Hier wordt op primitieve wijze bananenlikeur (waragi) gemaakt. Dat is interessant .De mannen leggen ons uit hoe dat precies in zijn werk gaat. In een grote put in zeildoek gewikkeld, liggen grote hoeveelheden bananenpulp met de schillen erbij, het lijkt mij een soort rottingsproces en zo ruikt het ook. Verder een soort oliedrums, leidingen, een vuurtje en aan het eind van deze chemische fabriek kunnen we een waterflesje vullen met een geestrijk vocht. Onze mannen willen dit natuurlijk proeven. Het schijnt nog goed te smaken ook.
Het is al tegen de avond als we bij Kibale Forest arriveren. Er staan voor ons kleine lodges klaar, maar voor 2 van ons bestaat ook de mogelijkheid om dieper in het woud in een boomhut te overnachten.
George staat zoals gewoonlijk meteen vooraan in de rij voor dit avontuur, maar ik heb zo mijn bedenkingen. Ik wil het eerst eens zien, maar weet nu al dat ik dit eigenlijk niet durf. Enfin, we gaan met z’n allen kijken, het is nog tien minuten verder lopen. Het ziet er eigenlijk wel comfortabel uit maar ik vraag me af wat er gebeurt als wilde dieren onderaan de trap gaan staan vannacht. Eigenlijk is het veiliger dan de tentjes in bushcamp in Botswana, maar met een grote groep is toch minder eng dan met zijn tweeën.
Er liggen twee matrassen en na wat heen en weer gepraat besluiten we met z’n vieren in de boomhut te blijven, Theo en Liliane blijven ook. We mogen nu niet meer terug, want de gids die bij ons is hoort in de verte de olifanten aankomen. We blijven stil wachten, maar als het nog even duurt, besluit de gids met Paul en Lizy en onze jongens toch voorzichtig terug te gaan. We hebben nog niet gegeten, maar dat overleven we wel. Nog geen kwartier later komen de woudolifanten te voorschijn. Ze komen grazen vlakbij onze boomhut. Fantastisch. Wat een schouwspel! Na een tijdje vertrekken ze weer, het is dan ook helemaal donker geworden. Gelukkig hebben we onze hoofdlamp bij ons, zodat we iets kunnen zien in de hut. Na enige tijd horen we geritsel onderaan de boom. Wat kan dat nu weer zijn. Mijn hart klopt in mijn keel. En dan klimt daar onze zorgzame Coen het laddertje op met een mandje met flesjes bier en water en een pakket met boterhammen met ei. Geresem is er ook bij en onderaan de trap staat de bewaker te fluisteren dat ze onmiddellijk terug moeten omdat het gevaarlijk is.
Wij mogen in de hut niet met onze lamp naar buiten schijnen en niet hard praten. Na het eten blijven we nog even zitten. Het is inmiddels stikdonker geworden. We zien allemaal kleine lampjes op ons afkomen: vuurvliegjes. Dat heb ik nog nooit eerder gezien, zoveel, en ze geven best veel licht.
Om half 9 besluiten we maar onder de dekens te kruipen, verder kunnen we toch weinig doen in het donker en olifanten horen we ook niet meer. Blijft wel het feit, dat een kant van de hut helemaal open is, zodat de apen vannacht zo op ons bed kunnen springen. Voor mij liever honderd spinnen, dan één aap.
Het wordt een onrustige nacht. Ik slaap slecht, hoor allerlei enge geluiden, maar het feit dat we met ons vieren zijn stelt me enigszins gerust.
Morgen mogen we zodra het een beetje licht begint te worden, onze hut verlaten.
| vorige pagina | 3 | volgende pagina |
